Thursday , 29 June 2017

“Als een kameel in Flevoland” – Wim Van Verre

Wim Van Verre ging op zoek naar eeuwige roem in de Challenge Almere-Amsterdam. Hij kwam terug met een mooi en uitgebreid verslag. En dus gunnen we hem hier bij deze heel graag zijn eeuwige roem. “Wat is dit? Wat is dit anders dan collectieve waanzin? Ik word omgeven door strompelende mensen. De hitte is zo dicht dat we ze kunnen aanraken. Ze drukt ons als een loden laars de grond in. Links gaat iemand in het gras zitten. Die komt niet meer overeind, denk ik. Rechts duikt iemand de struiken in, god weet voor welke lichamelijke hoognood.

Mijn sporthorloge heb ik ruim acht uur geleden op ‘start’ gedrukt, net als mijn lichaam. Sindsdien heeft het nog geen seconde ‘stop’ gehad. Zijn Pontiac tikte nog, maar zijn hartslag daalt. Dit klopt niet. Is dit nog gezond? Nee. Is het leuk? Nee. Het is de gruwel.

Hoeveel levensjaren offeren we hier vandaag samen op in onze jacht naar vluchtige roem in Challenge Almere? Hebben we hier echt honderden euro’s voor betaald? Het is nog 15 kilometer lopen, en ik heb er geen idee van hoe ik het ga doen. Straks aan de finish vertel ik mijn vrouw dat ik volgend jaar alleen nog kwartjes ga doen, gekruid met hier en daar een loopwedstrijd. Niks ambitieus. Ik weet dat ze het graag zal horen. Mooi experiment, zo’n volledige triatlon, maar onmenselijk.

Mijn tijdbeleving maakt rare kronkels. De looprondes van zeven kilometer worden steeds langer. Heeft de organisatie een lus toegevoegd die er een uur geleden nog niet lag? Ik ben er zeker van, maar bewijs het maar eens.

Mijn ingewanden maken ook rare kronkels. De klotsende brij van banaan, iso, gel en slokjes van het Weerwater dringt aan op evacuatie. Shit! Rechts registreer ik struiken, geknipt voor een lichamelijke hoognood. Oef. Opnieuw op pad.

Na 30 kilometer lopen beleef ik een primeur: een tegenstander gaat me voorbij. Hij komt me bekend voor, en even later weet ik waarom: een uur geleden ging ik hém nog gezwind voorbij. Slecht teken. Ik speel nog wat haasje over met een paar andere atleten en tel de kilometers af.

Het doet vreemd dat alle toeschouwers zo ver van huis mijn voornaam kennen. Telkens als ik mijn naam hoor, besef ik pas een tel later: ah ja, hij staat op m’n wedstrijdnummer. In het begin was het best leuk (“mooi tempo, Wim!” “zo, gaat lekker Wim!” Bedankt, dat vind ik namelijk ook!), maar nu komt het me voor als een cynische prik (mooi tempo? Ga een ander wat uitlachen! Ik kom nauwelijks vooruit!).

De rondetijden zijn van 30 minuten, 30 minuten (toen waande ik mezelf nog vingers in de neus op weg naar een marathon sub-3 uur), 32 minuten en 34 minuten inmiddels ingezakt tot 36 minuten, wat de facto betekent dat ik niet meer aan mijn duurlooptempo kom. Wanneer ik aan de laatste ronde begin, bereken ik dat ik nog krap 37 minuten heb om onder de 9 uur 30 te gaan. Moet lukken, toch? Ik gooi mijn allerlaatste wapen in de strijd: paslengte omhoog, frequentie omlaag. Het is het equivalent van een coureur die bijna moet lossen en plots heel groot begint te trappen.

Maar het werkt: met Hollandse keurigheid voltooi ik de marathon in 3u19’59”. Na een laatste ronde van 35 minuten ben ik aan het eind. Aan het eind van de wedstrijd, aan het eind van zo veel.

In mijn dromen zou dit een prachtig moment worden. Armen in de lucht en op mijn gezicht een gulle lach. Zo gul dat er voor elke toeschouwer een stukje was. Na de finish mijn vrouw in de armen vallen. In realiteit krijg ik mijn linkerarm nog net halfstok en is mijn gezicht een vertrokken zoutvlakte. Ik heb niks meer over, geen serene glimlach voor de finisher pic, laat staan voor ook maar één luttele toeschouwer.

Ik moet er bedenkelijk uitzien. Het medisch team vraagt me tig keer of het wel gaat. Biedt aan om even te gaan zitten. Ze wijzen een heel wagenpark van rolstoelen aan. No way! Ik denk niet meer helder, maar ben nog wel lucide genoeg om te merken dat er wielen onder dat ding staan. Nee, bedankt. Ik ben choco, oké? Laat me gewoon effe rondlummelen met mijn finisher-t-shirt in de hand, mijn (verrassend zware) finishermedaille om de nek, leunend tegen de steunpoot van het dranktentje.

Ik voel me echt niet lekker. Ga ik flauwvallen? Ik denk het niet. Maar er moet iets uit. Langs boven of langs onder, dat is me niet geheel duidelijk. Drinken, denk ik. Het helpt niet.

Ik zoek mijn vrouw op aan het afgesproken punt. Daarvoor moet ik het voetgangersbrugje over het loopparcours nemen. Holy shit! Ik heb net 226 kilometer gezwommen-gefietst-gelopen, maar de tien treden omhoog zijn challenging genoeg om er een vierde onderdeel van te maken. En de treden omlaag doen zo mogelijk nog meer pijn.

Een spraakwaterval ben ik die eerste minuten niet. Ja, dat laatste uur was onmenselijk zwaar. Gaan we eten? Ik mag, na een dag boordevol banaan, iso, gel en Weerwater niet dénken aan eten, maar ik weet dat het nu nodig is om uit de belabberde staat waarin ik verkeer te breken.

Twee boterhampuntjes, een kinderportie taboulé en wat kippenbouillon later begin ik kleur te krijgen, maar die reservatie bij de all-you-can-eat Chinees in de stad was veel te optimistisch. Afbellen dus.

Ondertussen worden andere finishers de post-race buffetzaal binnengerold, terwijl een aantal met een reddingsdekentje wezenloos voor een bord friet zit. Aan nog anderen merk je helemaal niks. Wow. Die hebben dit vast eerder gedaan. Maar rolstoelen en dekentjes, niet bevorderlijk voor het extreme beeld dat mijn vrouw sowieso al had van die triatleten. We lijken wel overlevers van een natuurramp.

Het dringt tot me door dat ik mijn doelstelling behaald heb, met Hollandse keurigheid: 9 uur, 29 minuten en 4 seconden, dat is minder dan 9 uur 30. Ha! In mijn bewustzijn maakt de pijn stilaan een plaatsje vrij voor geluk: ik bedenk hoe alles vandaag precies op zijn plaats viel. Behalve heel veel verval in de marathon. Maar daar ga ik even niet om zitten wenen.

Ik denk terug aan de ochtend. Iets na zeven, de zon komt machtig op boven het Weerwater en de speaker roept de pro’s een voor een naar de start. Tien minuten later zijn de gewone stervelingen aan de beurt. Daar sta ik dan, tussen een stuk of vierhonderd andere age groupers een bijzonder intens moment te beleven. De trainingen, de hoop, de twijfels, het plezier en de angst: er komt zo veel energie samen in dit moment. Dit is het brandpunt van maanden voorbereiding, en ik sta er middenin. In mijn wetsuit, in zalvend oranje zonlicht. Het is magisch. Ik kan wel huilen.

Meteen bij de start word ik tot de orde van de dag geroepen. De wasmachine draait op volle toeren en als een school landvissen zwemmen we over, onder, tussen en langs elkaar heen. Ik besef dat ik de zwemronde beter had verkend. Ik heb er geen idee van waar ik naartoe moet. Armpjes volgen dan maar. Dat gaat goed tot de eerste boei, maar na het keren gunt de opkomende zon ons zelfs dat niet meer.

Dan maar de beenslagbubbels van mijn voorganger volgen, en uit alle macht hopen dat hij weet wat hij doet. Dat lijkt zo te zijn, want regelmatig ronden we een nieuwe boei. Hij leidt me in ieder geval niet het riet in.

Na een uur en drie minuten, een paar minuten sneller dan gevreesd (zwemmen is niet bepaald mijn sterkste nummer) kom ik de hellingbaan opgekropen. Het geeft een mens rust om te weten dat hij een paar minuten voorsprong heeft op “het schema”. Maar de wissel voelt dramatisch aan: die wetsuit blijft maar uit dat zakje van de organisatie vallen!

Op mijn teller staat al een uur en negen wanneer ik eindelijk op de fiets zit. Het zorgt ervoor dat ik uit T1 steiger als betrof het een kwarttriatlon. Ik moet mezelf intomen met de mantra “90 rpm, glycogeen sparen, ronde trapbeweging”. Voor het eerst in mijn leven ben ik blij wanneer het gemiddeld wattage zakt. Onder de 200 nu. Mooi zo! 199, yes! 198, goed bezig!

Eenmaal de stad uit en de Oostvaardersdijk op begin ik spontaan te lachen. Ik besef dat ik vertrokken ben voor een heel lange dag doen wat ik zo graag doe, in een decor met bootjes, natuurparken en windmolens. Rondom me komt een toeristische brochure tot leven. Ik geniet van de zee en de vergezichten. Uit mijn ooghoeken weliswaar, want de punt van mijn helm moet wel aerodynamisch naar achteren blijven wijzen – ah ja!

Ik zing liedjes (“Ain’t nothing gonna break my stride!”) en wuif naar toeschouwers. Mijn ellebogen hou ik tegen elkaar, maar een handgebaar en hoofdknikje kunnen er wel af voor mensen die helemaal naar deze verlaten uithoek van Flevoland zijn gekomen. Maar nobody’s gonna slooow me down – oh no! – I’ve got to keep on moving.

Wat verder laat ik mijn stride toch bijna breaken. Ik krijg een andere age grouper in het vizier en ga hem voorbij. Nog even later komt het groepje subtop-bikkels van de halve afstand mij voorbij. Achteraan het rijtje komt de age grouper opnieuw voorbij. Huh? Laten we geen namen noemen, maar het erbij houden dat hij stayert dat het een Aart heeft. Hij kijkt om de paar honderd meters achterom om te checken op moto’s met officials, dus hij weet best dat wat hij doet een diskwalificatie kan opleveren. Het groepje maakt vaart met Aart aan de staart en verdwijnt in de verte. Ik besluit het voorval mijn topervaring niet te laten vergallen, maar schud toch meewarig het hoofd (zonder de punt van mijn helm te veel te bewegen, ah ja!).

Maar wacht, de situatie-Aart krijgt nog een staart. Aan het begin van fietsronde 2 duikt hij plots terug voor me op. Hij verteert alleen fietsen blijkbaar niet zo goed, nu zijn gangmakers van de halve afstand enkele kilometers ervoor aan de loopproef zijn begonnen. Ik ga hem weer voorbij. En gerechtigheid geschiedde, denk ik. Maar val steil achterover, ik zie dat zijn schaduw nu de mijne volgt. Ik begrijp het niet. Meedoen aan een Challenge met 180 kilometer fietsen is toch een bijzonder ongelukkige keuze voor iemand die niet wil trappen? Mijn Vlomse krachttermen komen aan, want hij laat zich afzakken. Bij het keerpunt even later zie ik dat hij al een ander wiel heeft gevonden.

Een paar dagen later zie ik dat hij Nederlands kampioen is geworden in zijn age group. Hij is vast trots.

Terug naar de leuke ervaring. Tussen het liedjes zingen, wuiven naar fotografen en de toerist uithangen door moet er ook getrapt worden. Mijn opzet is een heel voorzichtig gemiddelde van 180 tot 185 watt (eerste volledige triatlon, remember?), en hopen dat het volstaat om gemiddeld 36 km/u te rijden, ofte 180 km in 5 uur. Dat blijkt te optimistisch – zó aerodynamisch ben ik nu ook weer niet, en de wind in de polders werkt niet mee.

’t Is te zeggen: ik houd wel een gemiddelde van 36 km/u aan, maar moet er 195 watt voor trappen. Geen probleem, want ik heb goeie poten en goed gepiekt. Ik zit nog altijd veilig in mijn duurzone, en het resultaat is dat ik in T2 – na een uur calorieën schransen en rustig uitfietsen – afstap met het gevoel nog geen trap gegeven te hebben. Met Hollandse keurigheid zet ik mijn fiets na 4 uur 59 minuten aan de kant.

Ik verbaas mezelf met het loopgevoel. Mijn pasfrequentie gaat goed, de hartslag blijft met 149-150 constant in de hoge duurzone en aan de meeste aid stations kan ik een bekertje meegraaien. Alles onder controle en ik blijf iedereen voorbijgaan. Hey, deze jongen hoort een proflicentie te hebben! Ik ben zo high dat ik high fives ga uitdelen met de cheerleaders aan de kant. Het kan niet op.

Of toch? De derde loopronde gaat niet zo lekker, en de vierde en vijfde gaat een Did Not Finish regelmatig door mijn hoofd (zie boven). De zesde voelt aan als een doodsstrijd. Niet dat ik kan vergelijken op dat vlak, maar toch.

Of als een bevalling? Weet ik veel, ik noem maar universeel menselijke pijntoestanden op. Ook op dat vlak heb ik geen ervaring. De eerste acht uur waren best oké, maar de weeën van het laatste anderhalf uur zijn niet te doen. Als een kind baren een 9 scoort op de Schaal van Pijn, misschien is dit dan wel een 7? Ik ga nog net niet gillen, maar op stroken zonder toeschouwers ontsnapt me regelmatig een “urrrghlhrgg” en varianten daarvan.

Het is later. De laatste deelnemer is gefinisht, toeschouwers praten nog wat na, de transitiezone is desolaat en de atleten druppelen huiswaarts, terug naar hun andere leven.

Terwijl de zon daalt, rijst de vraag: wat nu? Doe ik dit nog eens? Om verder te gaan met de metafoor van de bevalling: ik denk dat elke vrouw in barensnood overtuigd is dat ze het bij één kind zal houden. Dit nooit meer. Maar pijn is vergankelijk, en de herinnering aan pijn eveneens. Achteraf blijft naar het schijnt alleen het gelukzalige gevoel over, en dan begint een mens aan een volgend kind. Gekken. Challenge Almere wordt mijn enige bevalling. Toch?

Epiloog: Het is al maandagmiddag wanneer ik via een telefoontje van mijn schoonmoeder verneem hoeveelste ik geworden ben. Nee, ik had het zelf niet gecheckt. De dag na de wedstrijd de Oostvaardersplassen (mooi!) gaan bezoeken met mijn echtgenote en de rest van de dag wat gelummeld. Het kon me eigenlijk niet schelen hoeveelste ik was; mijn 9u29 stond immers op de klok en basta.

Maar toen mijn schoonmoeder beweerde dat ik zevende was, kreeg ik toch wat klamme handen. Hè? Ik had immers gehoopt op top 35.

Toch maar even gaan kijken op de website dus. Jaja, wel zevende, maar – niet onbelangrijk – in de age group 24-39. Dat is niet slecht, maar eigenlijk vind ik dat het niet telt. Overall ben ik dertigste, dus waren er 29 sneller, punt.

Nadere inspectie wijst wel uit dat ik 9e niet-professional ben. Heftig. En dat mijn helse marathon met verval toch de op één na beste marathon bij de niet-pro’s was.

En dan begint een mens te denken: zou ik beter kunnen?”

About Hans Cleemput

Hans Cleemput
Hans is hoofdredacteur van 3athlon.be en speaker op veel triatlon en duatlon wedstrijden. Sinds Kapelle Op Den Bos 2014 mag hij zich ook triatleet noemen :-)

One comment

  1. proficiat wim , geweldig gedaan ! Ook mooi verslagje , ga je echt minderen ??

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>